Zolang de mens een denkvermogen heeft stelt hij zich reeds de vraag: wie ben ik? Bij elk loopbaantraject komt deze vraag in beeld, met meer of minder diepgang. Ieder van ons leeft met een beeld van zichzelf. Dat beeld wordt ingekleurd door waarden en normen, overtuigingen, meningen, ideeën over onszelf en de wereld om ons heen.


Alles is feitelijk voortdurend in beweging en niets blijft hetzelfde. Er is sprake van voortdurende verandering. Alles komt, alles gaat, niets blijft zoals het is. Dit moet dan natuurlijk ook gelden voor de mens. We weten dat dit zo is. Op celniveau is er voortdurend sprake van verandering en vernieuwing. Verlangens of wensen worden al dan niet vervuld en vervangen door nieuwe verlangens of wensen. Gedachten staan nooit stil, zijn voortdurend in beweging, ze komen en gaan. En in deze voortdurende verandering, zowel in onszelf als in de buitenwereld, zijn we toch op zoek naar een min of meer vaststaand beeld van onszelf. Een beeld waarvan we kunnen zeggen, dit ben ik.


We identificeren ons met aspecten van onszelf, met talenten, verlangens, ambities en opinies en geloven dat wij dit zijn. In zekere zin doen we de werkelijkheid daarmee geweld aan. De waar-neming wordt gesimplificeerd. In het sociale verkeer heeft het natuurlijk wel zo zijn voordelen. Het maakt de communicatie een stuk makkelijker. Toch lijkt het mij wel goed om vast te stellen dat je geen vaststaande identiteit bezit. Je bent meer een project in voortdurende ontwikkeling. De identificaties, je identiteit, is feitelijk een anker waarmee je jezelf vastzet. Bij weerstand of tegenslag in je leven laat de ervaring je zien waaraan je wellicht al te gehecht bent geraakt. En in bent gaan geloven.


Werkelijke levenskunst houdt in, dat je de werkelijkheid onder ogen durft te zien, deze diep doorleeft om vanuit een vernieuwd bewustzijn te kiezen voor disidentificatie van het verstarde beeld. Dit is de werkelijke betekenis van ‘loslaten’. Het leven, jouw leven gaat dan weer stromen. Zoals we kunnen zien bij het jonge kind dat zich nog niet heeft geïdentificeerd met beperkende opvattingen over zichzelf. Voor het jonge kind is alles nog mogelijk. Wanneer bijvoorbeeld in religies wordt gesproken over het 'weer worden als kinderen', dan bedoelt men deze open, ontvankelijke staat van het kind-bewustzijn. Zij gelooft, hoopt en vertrouwt dat alles mogelijk is. Los van alle identificaties is er een kern van waaruit een nieuw leven, een leven van eenvoudig-zijn mogelijk is. Dit wordt in onderstaand verhaaltje mooi weergegeven.


Een vrouw verkeerde in een bewustzijnstoestand die lijkt op wat men coma noemt. Plotseling kreeg ze het gevoel dat ze zich in een onstoffelijk bestaansveld bevond en wel in het centrum ervan.

  • Een stem vroeg: ‘wie ben je?’
  • ‘Ik ben de vrouw van de burgemeester,’ gaf ze als antwoord.
  • ‘Ik heb niet gevraagd wiens echtgenote je bent, maar wie je bent.’
  • ‘Ik ben de moeder van vier kinderen.’
  • ‘Ik heb niet gevraagd wiens moeder je bent, maar wie je bent.’
  • ‘Ik ben onderwijzeres.’
  • ‘Ik heb niet naar je beroep gevraagd, maar ik vroeg wie je bent.’
  • ‘Ik ben christen.’
  • ‘Ik vroeg niet welke religie je aanhangt, ik vroeg wie je bent.’
  • ‘Ik ben degene die bijna elke dag naar de kerk ging en de armen en minderbedeelden steeds geholpen heeft.’
  • ‘Ik vroeg niet wat je deed, ik vraag: wie ben je?’
  • Toen had de vrouw geen antwoord meer. Zij kon niets meer bedenken. Haar geest was leeg. Er was alleen nog maar stilte. En ineens, in die stilte, wist ze vanuit de diepte van haar hart: ik ben! Toen fluisterde de stem: ‘ja, dat ben je!’